Versterkend Taalgebruik
Jump to navigation
Jump to search
Maak teksten sterk en krachtig door versterkend taalgebruik:
| In plaats van: | Zeg of schrijf: |
|---|---|
| Ik zou moeten… | Ik ga… Ik doe… |
| Ik zie een probleem | Daar ga ik iets aan doen. Ik zoek een oplossing. |
| Ik ga het proberen. | Ik werk er aan. |
| Ik hoop… | Ik verwacht… |
| Ik vind het een beperking… | Ik zoek mogelijkheden om… |
| Ja, maar… | Ja, en… |
| Ik twijfel. | Ik kies niet. |
| Het wordt een mislukking. | Het gaat lukken. Tijd om in te grijpen. We gaan het bijsturen. |
| Ik ben onbekwaam. Dat kan ik niet. |
Ik kan (er wat van leren). Dat moet ik nog leren. |
| Dat vind ik moeilijk. | Dat wil ik leren. |
| Dat is complex. | We maken het simpel voor u. |
| Het is hopeloos. | Ik zoek een weg. |
| Ik zou willen… | Ik wil… |
| Dat is lastig. | Dat onderzoek ik. Ik zet door. |
| Het is onmogelijk. | Alles is mogelijk. |
| Ik kan niet… | Ik onderzoek hoe. Wat is kan is… We vertellen alleen de mogelijkheden. |
| Misschien… | Dat gaat lukken. Wat gaat lukken is… |
| Eigenlijk… | niet gebruiken |
| Het/jij maakt mij… | Blij. |